Daar waar de jongeren zijn

Het CAW versterkt welzijn. Dat doen we niet alleen voor degenen die ons een vraag stellen tijdens onthaalmomenten, via mail, chat of aan de telefoon. Dat doen we ook door actief op zoek te gaan naar mensen voor wie alle verbindingen verbroken zijn of voor wie het stellen van een vraag moeilijk is. Vanuit het JAC zetten verschillende collega’s in op deze methodiek die outreach heet.

Outreachend werken verwijst letterlijk naar de ‘act of reaching out’, naar iets of iemand toe stappen. Je legt contact met iemand in zijn of haar eigen leefomgeving en je gaat zelf actief het contact aan in plaats van af te wachten.

Al onze hulpverleners stappen actief in de leefomgeving van hun cliënten wanneer dat nodig is. Door op huisbezoek te gaan wanneer iemand niet in staat is om tot op het CAW te komen, of om meer zicht te krijgen op de thuissituatie. Door mee te gaan naar andere diensten wanneer dat moeilijk is voor de persoon in kwestie, door iemand verschillende keren opnieuw te proberen contacteren wanneer hij niet komt opdagen of afhaakt.

Outreach als methodiek

Enkele collega’s zetten outreach heel specifiek en systematisch in als methodiek om mensen te bereiken die niet of weinig gebruik maken van de hulpverlening. Er zijn heel wat jongeren die de weg naar hulpverlening niet of moeilijk vinden. Omdat ze misschien niet eens weten dat ze een hulpvraag hebben of waar ze ermee terecht kunnen. Of omdat ze al genoeg negatieve ervaringen hebben, om geen vraag meer te willen stellen.

Daarom gaan enkele JAC collega’s ‘vindplaatsgericht’ aan de slag. Ze werken daar waar de jongeren zich al bevinden. Vaak op plekken die door andere organisaties of door jeugddiensten worden ingericht en waar een naadloze samenwerking met al deze partners mogelijk is.

Een verleden op de vlucht

Joline doet dat in de Stelplaats in Leuven. ROOTS is een project van de stad dat jongeren met een vluchtverleden wil laten verankeren in Leuven. Vanuit vrijetijdsbesteding werken ze er aan het verbreden van het netwerk van de jongeren.

“In het begin ging ik 2 dagen per week naar de Stelplaats. Je kan tegen zo’n jongeren niet gewoon zeggen. Hallo, ik ben Joline van het JAC. Kom me maar een vraag stellen als je die hebt.
Dus deed ik er afgelopen zomer heel wat groepsactiviteiten. Bijvoorbeeld rond zelfbeeld en identiteit. Zo kwamen we in groep tot de dingen waar zij mee zitten, wat ze moeilijk vinden, waar ze tegenaan botsen, wat zij nodig hebben. Een van de jongens wilde graag slager worden.

Maar hij had nooit gedacht dat er iets of iemand was die hem daarbij kon helpen.

We gingen samen kijken wat er voor nodig is om zijn droom te bereiken. Welke opleiding kan je volgen? Mee naar de VDAB gaan voor informatie, om hem in te schrijven…

Ik merkte dat het nodig was dat zij mij zo leerden kennen en wat het JAC te bieden heeft. Door rond die verschillende onderwerpen te werken in groep, werd het concreet voor hen. Dan nog stelden ze niet meteen een vraag, maar ik kon wel inpikken op wat ze deelden. Bijvoorbeeld rond het vinden van een eigen plek om te wonen, of wat ze wilden worden, of over de trauma’s die ze hadden opgelopen.

Nu zijn er enkelen die me rechtstreeks opbellen. Maar ik ga nog steeds naar de Stelplaats. Om de nieuwe groep jongeren te leren kennen en ook voor hen te kunnen inpikken wanneer nodig.”

Nergens aansluiting

Hanne is elke woensdag terug te vinden in Jeugdcentrum De Klinker in Aarschot. Wanneer je er binnen loopt, herken je haar aan haar JAC-trui.

“Die trui legt de basis voor mijn identiteit. Het is belangrijk dat de jongeren mij meteen herkennen of kunnen plaatsen. Ik werk heel nauw samen met Neel van Arktos. Als hij tegen één van de jongeren zegt dat ze iets aan mij kunnen vragen, dan moet die jongere mij ook snel herkennen of zich herinneren. Bovendien onderscheidt mij dat ook van Neel of van De Klinker. Stel dat de jongere het contact met hen verbreekt, dan zijn wij er nog. Daarom probeer ik wanneer mogelijk ook met hen af te spreken buiten De Klinker of op het JAC.

De jongeren hebben vaak al heel wat meegemaakt. Zij zouden nooit zomaar binnen stappen op een JAC, ik zou zelfs niet weten waar ze over ons bestaan zouden horen.

Ze hebben vaak nergens aansluiting, alleen nog met elkaar.

Er zijn jongeren die nooit een officieel gesprek zouden voeren. Hen spreek ik gewoon aan in De Klinker. Dan praten we wat en pols ik ook of het langsgaan bij het OCMW gelukt is, wat ze bij de bank gezegd hebben. Zo kan ik toch iets betekenen en geraken zij vooruit. Elke positieve ervaring die ze met ons hebben, is iets dat terugklinkt in de groep. En zo breidt het vertrouwen zich uit.

Zij hebben vooral nood aan iemand die gelooft in wat ze kunnen.

Ze hebben erg veel nuttige, zinnige, boeiende dingen te zeggen. De Aarschots jeugd weet heel goed wat ze nodig hebben, hoe je het best met hen in gesprek gaat, waar ze vinden dat dat best gebeurt. Dat merken we elke keer opnieuw tijdens Jeugdtendenz.

Daar kreeg ik ook het mandaat van hen om in hun leefwereld te stappen, om hen ook gewoon op straat te mogen aanspreken. Hoe je precies outreachend aan de slag gaat, hangt dan ook af van de jongeren zelf en van de organisaties die al dan niet aanwezig zijn in een stad.”